De kortste weg is niet altijd de slimste
Mobiliteit wordt nog altijd gemeten in kilometers. Hoe verder je rijdt, hoe groter de vergoeding. Maar misschien is dat precies de denkfout. Niet elke kilometer die we vergoeden, is er één die we zouden moeten willen maken.
Neem de onbelaste verhuiskostenvergoeding. Wie voor zijn werk verhuist en daarmee zijn woon-werkafstand substantieel verkort, krijgt niet alleen de werkelijke kosten vergoed, maar ook een royaal vast bedrag dat netto mag worden uitgekeerd. Uiteraard gelden er nog wel wat voorwaarden voor de verhuiskostenvergoeding. Maar hiermee erkent de wetgever iets wat in het mobiliteitsdebat vaak ontbreekt: structureel minder reizen is minstens zo waardevol als het compenseren van dure kilometers.
Tegelijk presenteert het kabinet deze week een steunpakket vanwege de hoge brandstofprijzen, inclusief een verhoging van de onbelaste kilometervergoeding van 23 naar 25 cent. Begrijpelijk vanuit koopkrachtoogpunt, maar welke prikkel geven we eigenlijk af? Elke verhoging bevestigt hetzelfde uitgangspunt: mobiliteit is onvermijdelijk, de auto de norm en afstand een gegeven. Terwijl de verhuiskostenregeling precies het tegenovergestelde zegt: misschien moet je niet nóg meer gaan rijden, maar wonen, werken en reizen als één samenhangend geheel gaan zien.
Het contrast is veelzeggend. Aan de ene kant belonen we mensen die dichter bij hun werk gaan wonen. Aan de andere kant maken we elke extra kilometer makkelijker. CO₂, filedruk en infrastructuurkosten verdwijnen uit beeld zodra de kilometer de rekeneenheid wordt.
Een alternatieve kijk begint niet bij de hoogte van de vergoeding, maar bij de vraag: welke verplaatsingen zijn écht nodig? Thuiswerken, hybride functies, andere standplaatsen of inderdaad: verhuizen. Dat zijn geen zachte HR-thema’s, maar harde mobiliteitskeuzes.
Misschien moeten we onszelf de ongemakkelijke vraag durven stellen: wat als de meest duurzame kilometer niet 25 cent waard is, maar simpelweg niet wordt gereden? En wat als de beste mobiliteitsmaatregel niet zit in een paar cent extra, maar in het durven stimuleren van fundamenteel andere keuzes?
De wetgever laat zien dat het kan. Nu de praktijk nog.


